Hoeveel mensen van zout houden (sprookje)
Er was eens een oude koning met drie volwassen dochters. Op een dag wilde hij bepalen aan wie hij na zijn dood zijn koninkrijk zou nalaten.
Hij riep ze dus alledrie bij zich en vroeg aan elk van hen hoeveel ze van hem hielden.
“Allerliefste vader“, antwoordde de oudste, “ik houd van u zoals ik houd van mijn ogen en mijn hart. Ik houd meer van u dan van de vrijheid en meer dan woorden kunnen zeggen. Geen dochter kan meer van haar vader houden dan ik”.
De oude koning was zeer verheugd toen hij dit hoorde.
De middelste dochter zei: “Ik houd meer van u dan ik houd van het zonlicht. Ik houd meer van u dan de hemel en alles op aarde. Ik kan niet zoveel van iets of iemand houden als van u”.
Ook over dit antwoord was de oude koning zeer verheugd. Tenslotte wendde hij zich tot zijn jongste dochter en vroeg haar te zeggen hoeveel ze van hem hield.
“Lieve vader“, antwoordde ze, “ik houd zoveel van u als de mensen houden van zout“.
De oude koning was ontsteld toen hij dit hoorde. “Zoals van zout“ riep hij uit. “Je zegt dat je zoveel van me houdt als van zout! De eenvoudigste kruiderij in mijn koninkrijk! Als je tenminste nog had gezegd zoveel als kostbaar saffraan of als zoete suiker! Maar zout! Het is hetzelfde als zeggen dat je helemaal niet van me houdt“.
Hij wees zijn jongste dochter de deur en verbood haar om hem nog ooit onder ogen te komen. Hij benoemde zijn oudste dochter tot erfgenaam, tot woede van zijn middelste dochter, die naar zee ging en een piratenkoningin werd.
De jongste dochter liep verdrietig weg. Toen ze vele dagen gelopen had kwam ze bij een ander paleis. Ze vond direct werk in de keuken, waarna de jonge koning al snel haar kookprestaties opmerkte en haar benoemde tot opperkok. Na een poosje trouwde ze met de jonge koning en de bruiloft werd gevierd met een enorm feest dat drie dagen duurde. Uiteraard werden de naburige koningen uitgenodigd en de oude koning was dus ook aanwezig. De jongste dochter zag erop toe dat het eten van haar vader geen zout bevatte. De ene schotel na de andere werd opgediend en alle gasten roemden de uitstekende maaltijd. Allen, behalve de oude koning, die nauwelijks een hap door zijn keel kreeg. Hij at met lange tanden en het eten smaakte hem helemaal niet. Tenslotte hield hij het niet langer uit en riep de kok bij zich. “Wat heb je met mijn eten gedaan?“, riep hij uit. “Het smaakt nergens naar! Het ziet er allemaal geweldig uit, maar het smaakt als oude lappen! Wat ik ook in mijn mond heb, het heeft geen smaak en hoeveel ik ook eet, het voldoet me niet“.
“Lieve vader”, antwoordde de dochter toen. “U hebt me verbannen uit uw huis toen ik zei dat ik net zoveel van u hield als mensen houden van zout. Daarom heb ik geen zout in uw eten gedaan. Zo zinloos als dit feest is zonder zout, zo zinloos is mijn leven als ik niet in uw nabijheid mag leven”.
Toen nam de oude koning zijn jongste dochter weer in genade aan. Pas na het gebruik van een maaltijd zonder zout realiseerde hij zich hoe belangrijk zout was en begreep hij dat zijn jongste dochter net zoveel van hem hield als de twee oudere dochters. Hij schaamde zich toen hij inzag hoe dom hij was geweest en veranderde onmiddellijk zijn testament om zijn jongste dochter tot zijn erfgename te maken. Zodra hij weer thuis was trad hij af. Zijn dochter was een goede koningin, die vele gelukkige jaren met wijsheid regeerde.



